Hij kwam 4 weken te vroeg ter wereld met de navelstreng strak om zijn nek gewikkeld. Het zou een blauwdruk zijn voor de rest van zijn leven. De huisarts die hem haalde was van de oude stempel. Naar het ziekenhuis, een couveuse, dat vond hij onzin, twee kruiken aan weerszijden van het magere babylichaampje en elke drie uur opnieuw verwarmen, dan zou het goedkomen. Voor hij dokter werd, was hij veearts geweest, zei hij, en het was maar een kleine stap van de geboorte van een kalf naar een mensenkind. Maar we woonden niet op het platteland. We woonden in de stad. De nieuwe stad, op nieuw land, nieuw zand. Elke ochtend werden we gewekt door schril babygehuil en het eentonige gehei van weer een stadsdeel in wording, de lucht dik en geel van het opstuivende zand. Nieuw leven.
Met de nacht kwam de stilte. Geen gehei, geen kinderstemmen, geen blaffende honden. In die prille beginjaren werden we nog niet ingesloten door snelwegen, door de Ring. Onze wijk, met de poppenhuisjes, de tuintjes, de speelveldjes en de rozenbottelstruiken, was alleen bereikbaar met bus 21. En via de N-wegen, maar een auto, die hadden we toen nog niet. Als ik hem 's nachts, in die stille, verlaten uren, voedde, keek hij me nooit aan. Zijn blauwe ogen dwaalden af naar een onbestemd punt op het plafond, een stip aan de einder.
"Hij lijkt in niets op die andere twee", zei ik tegen de buurvrouwen in de straat.
Trudy haalde haar schouders op.
"Elk kind is anders", zei ze, "maak je maar geen zorgen. Mijn Hans is ook niet als zijn zusters."
"Zo is het", zei Marie.
Maar Trudy was makkelijk met alles en Marie wist van niks, dacht ik. Jan had haar eerste nog bij haar aan haar borst gelegd, omdat het haar niet lukte. Hij was daar handig in, mijn Jan.
We hadden jaren ingewoond bij mijn ouders in de Rivierenwijk, de oudste was er zelfs geboren, dus toen we eindelijk onze eigen plek kregen was ik zielsblij. Ik rende van boven naar beneden en weer terug. Een 4-kamerwoning, met een zolder, een schuur en een tuin. Het was 1958, we hoefden alleen nog maar te sparen voor een kolenkachel, dan kon het leven beginnen.
We hadden niet veel geld in die jaren. Jan bracht elke week een bruin papieren zakje mee naar huis met zijn weekloon. Ik stopte het in het groene blik met de gleufjes voor onze vaste lasten. Huur, gas, licht, huishouden. Dan bleef er niet veel over. Niet voor vakantie, niet voor een auto. Jan bracht elke ochtend onze dochter naar de kleuterschool een paar straten verderop, op de brommer. Hij in een lange, bruin leren jas. Zij achterop, de blonde, sluike haartjes geknipt in een korte bob en haar armpjes stevig om zijn middel geslagen. Onze oudste was de kleuterschool ontgroeid, hij ging al naar de grote school, lopend. En ik bleef thuis met de baby. Een mager kind met grote blauwgroene ogen en dichte zwarte wimpers, zijn huid bijna doorschijnend zo bleek, mijn zorgenkind, mijn wonderkind. Zijn haren waren zo blond, als de zon erop scheen, leek het wel goud. En dan die krullen, allemaal pijpenkrullen tot op zijn schouders. Een hoofd vol witgouden kurkentrekkers.
"Je moet zijn haren knippen, hij lijkt wel een meisje", zei Trudy.
"Inderdaad", zei Marie.
Maar in Engeland zongen de Beatles love love me do, in Amerika had Martin Luther King een droom en in Nederland bepaalde ik zelf wel wat goed was voor mijn kind.
Vijf jaar later kwam ons vierde en laatste kind ter wereld. Weer een jongetje. Een hekkensluiter, een benjamin. Wat waren we blij, Jan en ik. Maar als ik na het voeden door het raam keek of de gouden krullen van mijn wonderjongetje nog te zien waren in de zandbak, zag ik hem steevast op de stoep voor ons huis zitten, stilletjes en heel alleen, zijn blik naar een punt ver weg aan de einder.
Op de middelbare school veranderde hij plotseling van een teruggetrokken en van de wereld vervreemd kind in de leukste van de klas. Hij zat vol absurdistische, iconische grappen en uitdrukkingen, maakte iedereen aan het lachen, ook thuis. Hij speelde een rol, leek het, die van clown en dorpsgek. Ik maakte me zorgen en toen hij ineens besloot om een reis van een half jaar naar India te maken, hield ik mezelf staande door een trui voor hem te breien, een dikke, witte wollen trui. Dan moest hij wel heelhuids terugkomen. En hij kwam terug. Mager en stil. Er was iets veranderd, ik zag het aan zijn ogen, die stonden naar binnen gekeerd, alsof hij naar iets luisterde. Een paar jaar later werd hij ziek. De stemmen in zijn hoofd maakten hem gek, zei hij.
En toen werd ik ziek. En ik stierf. En mijn kind, mijn gouden wonderboy werd oud zonder mij.
Zijn wereld werd kleiner en kleiner. Maar het gekke was dat hij ondanks alles toch redelijk tevreden was, hij accepteerde zijn lot. Zijn dagen bestonden uit schilderen, zingen en wandelen, en in het weekend ging hij naar zijn broer of naar zijn zus. Zolang hij zijn medicijnen maar slikte, dan was alles in orde. Dan werden de stemmen tot zwijgen gebracht en het verlangen naar een ander leven verdoofd. Soms vroeg hij zich wel eens af wat hij had kunnen zijn als hij niet ziek was geworden. Maar dan keek hij naar de einder en vergat wat hem dwarszat. Het was goed zo. Niet elke bloem krijgt de kans om te bloeien.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten