dinsdag 19 februari 2019

Sprookje

Koning Ambrosius de 2e en zijn gade waren 30 jaren bij elkaar, toen Zijne Koninklijke Hoogheid besloot dat het welletjes was. Zijn vorstendom Lisiduna verkeerde in een staat van grote armoede en chaos, hij was het gekijf en gezeur van zijn koningin zat, zijn enige zoon had de wens noch de ballen om hem op te volgen als koning en zijn dochters waren veel te slim om te worden uitgehuwelijkt aan een geschikte kandidaat. Daar kwam bij, niemand luisterde nog naar hem. Hij had net zo goed alleen kunnen wonen in dit grote, sombere paleis met zijn 70 kamers, 2 wc’s en 1 badkamer. Als hij het Koninklijke lijf wilde reinigen, stond zijn lamlendige zoon altijd net onder de douche, urenlang, en dan kon hij schreeuwen en op de deur bonken zoveel hij wilde, het hielp allemaal niets. Als hij het 8-uurjournaal wilde zien, dan zat zijn gezin op de Koninklijke sofa te kijken naar een vreselijke soap uit het buurland Snorrenhoef. En wilde hij eens fijn gaan luisteren naar de muziek van zijn geliefde fanfarecorps Fedderius de Grote, dan hief zijn vrouw net een snerpende aria aan, die hem door merg en been ging.

Hij was het zat.
‘Ik ga weg’, zei hij.
Zijn vrouw barstte in huilen uit. ‘Nee!’, kreet ze.

Maar hij hield voet bij stuk. ‘Ik ga weg’, riep hij elke dag. Tegen zijn vrouw, tegen zijn zoon, tegen zijn dochters. Zelfs tegen de hond. Urenlang zwierf hij rond in zijn Koninkrijk, niemand mocht weten waar hij verbleef en met wie. Hij sliep niet langer in de Koninklijke sponde. Hij at niet meer aan de Koninklijke tafel. Blind en doof voor de royale tranen die zijn vrouw plengde, trok hij zich terug in zijn geheime Kingcave en bleef daar totdat iedereen naar bed was. Dan kwam hij naar buiten en keek tot in de kleine uurtjes films uit verre landen tot hij in slaap viel op de Koninklijke sofa.

Nu riep hij wel leuk dat hij wegging, maar waarheen? Waar kan een koning heen als hij zijn gezin zat is? Hij was reeds op jonge leeftijd uitgehuwelijkt en de weinige familie die hij bezat woonde overzee en was allang vergeten hoe hij heette. Als koning kon hij niet bij vrienden op de bank gaan slapen, dat gaf geen pas. Bovendien, wie waren zijn vrienden nog als hij als koning aan lagerwal zou geraken?

Verdraaid zeg, verdikkeme en verdulleme nog aan toe, schold de koning elke dag. Hij schold en schold en schold tegen iedereen die hem voor de voeten liep. Hier en daar deelde hij een oorvijg uit, of het nu een passerende lakei was of een van zijn kinderen. ‘Minkukels’, riep hij. ‘Addergebroed, galgenaas, rapaille, ik kan niet wachten tot ik hier weg ben!’

Inmiddels sloop iedereen op kousenvoeten door het huis, bang om de koning te ontrieven waardoor hij weer in woede zou ontsteken. De koningin was gestopt met huilen, ze was nu weer gewoon boos. ‘Als jij niet gaat, ga ik!’, riep ze. ‘Ik kan niet wachten, serpent’, schreeuwde de koning terug en stormde de deur uit. ‘Schlemiel’, riep hij en passant tegen zijn zoon en gaf hem een gemene duw. ‘Hoerenjong!’

Op een dag, de koningin was net aan het vergaderen met haar hofdames, werd de koning zo ontzettend boos, dat hij zijn jongste dochter een klinkende slag om de oren gaf. 
‘Luister naar mij’, bulderde hij. ‘Ik ben de Koning!’. 
Het prinsesje begon te huilen en rende naar haar moeder in de vergaderzaal. ‘Nondeju’, brieste de moeder des Vaderlands. Het bloed steeg naar haar wangen, ze schoof haar stoel met een ruk naar achteren en tot grote ontsteltenis van haar gevolg rende ze zonder enige inachtneming van het gebruikelijke protocol naar de deur.

Toen de koningin beneden kwam, stond de poort open en was de grote, rode koets verdwenen; de vogel was gevlogen. De koningin riep de voltallige ministerraad bij elkaar. 
‘Wat te doen’, vroeg ze. ‘Van onze grenzen aan Asschat tot aan Snorrenhoef toe, er is geen land met de koning te bezeilen ‘, zei ze. 
‘Een depressie’, riep de Minister van Chirurgie en Aderlaten stellig. 
‘FinanciĆ«le stress’, riep de Minister van Schatkist en Belastinggeld. ‘Bindingsangst?’, opperde de Minister van Koetsen en Karrenpaden voorzichtig. ‘Gelul’, riep de koningin. ‘De Koning heeft een Ander!’ 
De voltallige Ministerraad deinsde achteruit. ‘NEE’, riep men in koor.

Tijdens het Groot Ministerieel Overleg zocht het kleine prinsesje troost in de Koninklijke stallen. Ze snikte bittere tranen in de manen van Miltonius, haar lievelingspaard. Ze was bang. Bang voor haar vader, de boze koning, en bang voor wat er komen ging. De muren van het paleis trilden van boosheid en geschreeuw. In de gangen klonken rennende voetstappen van chaos en paniek. Ze wilde graag haar klagende moeder terug en haar chagrijnige vader. Waarom kon alles niet blijven zoals het was?

Toen ze thuiskwam, stond haar moeder in de gang met een aantal reiskoffers van glanzend goudbrokaat, op alle zijden bedrukt met het familiewapen. 
‘Het is hier niet langer veilig’, zei ze, ‘we gaan weg, voor je vader terugkomt.’ ‘Maar waar naartoe’, riep het prinsesje ontsteld. 
‘Geen vragen’, zei de koningin. 
‘Maar mijn paard?’, huilde het prinsesje. 
‘Ga je zus zoeken, roep je broer, we gaan.’ 
Tegen zoveel stelligheid kon het prinsesje niet op en ze rende de enorme trappen op, op zoek naar haar grote zus. ‘Wat een onzin’, riep die, maar ze pakte gelaten haar koffers in en stapte samen met haar moeder, haar zus, haar grote broer en haar hond in de reservekoets. 
'Hihahoe', hinnikten de paarden. 
'Woef', deed de hond. 
Klikkerdieklak, gingen de hoeven op het plaveisel. 
‘Miltonius’, zuchtte het prinsesje. 
De koningin keek bedenkelijk. In haar boosheid had ze gehandeld zoals een moederkip haar kuikens beschermt, kloek en daadkrachtig. Maar hoe nu verder? Ze had geen geld, het koninkrijk was door het falende beleid van haar eega zo goed als failliet en het familiekapitaal, ook dat van wijlen haar vader, was gebruikt om de landerijen te onderhouden en de hongerlijdende pachters zoet te houden.

De koets reed de grens over naar het ministaatje Snorrenhoef. De avond viel en de hoge loofbomen ruisten in de zachte zomerwind. Na een uur stopten ze voor het oude en verwaarloosde buitenpaleis dat dicht tegen een vestingswal aanlag. Erachter stroomde een woest kolkende rivier. De oprijlaan was overwoekerd met wingerd en brandnetels en de toegangspoort hing vol met spinnenwebben. Ratten maakten zich uit de voeten, een kraai fladderde op, luid schreeuwend. 
De koningin duwde de deur open. 
‘Nou’, zei ze monter, in een poging het moreel op te vijzelen, ‘daar zijn we dan.’ 

De woning was donker en verlaten. Er stonden maar enkele meubels, er lag geen tapijt, er brandde geen haard en in de oude bedden rook het naar schimmel. 
‘Het komt goed’, zei ze tegen haar sip kijkende kinderen en probeerde een zelfvertrouwen in haar blik te leggen dat ze op dat moment helemaal niet voelde. Die nacht sliep ze slecht. In de maanverlichte nacht luisterde ze naar de roepende bosuilen en naar de regelmatige ademhaling van haar jongste die diep in haar armen de slaap van de argelozen sliep. Deed ze er goed aan om de koning te verlaten? Elke vezel in haar lijf riep nee, maar ze wist dat ze sterk moest zijn, het had lang genoeg geduurd. Tegen het ochtendgloren viel ze in slaap. Komt tijd, komt raad, zei wijlen haar moeder vroeger altijd als ze huilend van liefdesverdriet thuiskwam. Geen handen vol, maar landen vol, troostte haar vader dan.

Intussen was de koning weer teruggekeerd naar huis. Verbolgen zat hij op zijn troon en staarde naar de brief in zijn handen. De koningin wilde geld en Zijne Heerlykheid de Rechter had bepaald dat hij haar dit moest geven. 
‘Hoe durven ze’, zei hij hardop, ‘Ik ben de Koning’, maar niemand die nog goedkeurend knikte op alles wat hij zei. Wat moest hij doen? De schatkist was leeg. Hoe kwam hij aan geld? Hoe deden gewone mensen dat? Het enige dat hij kon was Koning zijn en hij piekerde er niet over om ooit iets anders te zullen zijn dan Koning. Hij stond op en keek om zich heen. Het paleis maakte een verlaten indruk. Het personeel was gevlucht of hield zich gedeisd in de keuken en er was niemand die de Koninklijke rommel achter zijn Koninklijke reet opruimde. 
‘Losers’, riep hij nog maar eens en liep stampend de trap af naar de schermzaal.

In het land Snorrenhoef ging enkele maanden later het leven van het voormalig Koninklijke gezin bijna weer zijn normale gang. De koningin was geen koningin meer, alleen nog stiekem, als niemand keek. Ze had haar hermelijnen mantel uitgedaan en verkocht, net als de koets en de 4 paarden, en werkte anoniem als wasvrouw in het nabijgelegen dorp. Met hulp van een van haar getrouwen had ze haar dochters lievelingspaard gekocht, zodat het kleine meisje weer kon rijden. Het prinsesje was dolblij. 

Maar op een dag sloeg het noodlot toe. Het prinsesje werd ziek. De koningin liet de geneesheer komen, maar die wist niet wat de prinses mankeerde. U moet naar Asschat, zei hij. Daar is een geneesheer die haar misschien kan helpen. Maar ik heb geen koets meer, zei de koningin. Snel stuurde ze een heraut naar het koninklijk paleis van Lisiduna met een verzegeld telegram. 

‘Dochter ziek, schreef ze. ‘Kom snel. Breng koets!’ 
Ze kreeg per ommegaande een schrijfsel van de koning retour. 
‘Kan niet’, schreef hij. ‘Koning heeft afspraak.’

Dat deed de deur dicht. 
‘Wel nondeju’, riep de koningin verontwaardigd. ‘Ik heb die pummel niet nodig, ik koop zelf een koets!’ 
Ze ging naar de plaatselijke sloop en kocht van haar laatste spaargeld een bouwvallig koetsje. Er ontbrak een deur en de bekleding was mottig en beschimmeld, maar er zaten wielen onder en de volgende morgen togen de koningin en haar dochter naar de geneesheer in het land Asschat. 
‘Waar is papa?’, huilde het prinsesje. 
‘Die heeft een belangrijke afspraak’, zuchtte de koningin. 
‘Met wie dan?’, snikte het prinsesje. 

De koningin zweeg. Ze had een donkerbruin vermoeden, maar onderdrukte deze gedachte. Ze moest aan haar kinderen denken. En wat kon ze er trouwens aan doen? De Koning was beledigd. De Koning was boos. De Koning voelde zich opzijgezet. De Koning nam wraak. Ze wist het niet goed meer. Moest ze medelijden hebben met de koning of moest ze hem haten? Hij was geen goede echtgenoot geweest en een nog slechtere vader. Maar was dat zijn schuld? Hij had geen weerstand kunnen bieden aan de verleidingen die rondwaarden in zijn koninkrijk, maakte dat hem een slecht mens? 
‘Ja, natuurlijk, idioot!’, zei ze hardop tegen zichzelf. 

Ach, ach, die arme koning. Het was voor hem ook niet gemakkelijk geweest om zijn koninkrijk overeind te houden in deze barre tijden van crisis in een land dat verdeeld was tussen republikeinen en monarchisten. 
‘Dat praat niet goed wat hij zijn kinderen heeft aangedaan’, zei ze weer, in een poging voet bij stuk te houden. ‘Kinderen horen in veiligheid op te groeien.’
En toch had ze hem 30 jaar lang innig liefgehad. Hoe vaak hij zijn heil had gezocht in de armen van een dienstmeid of hofdame, ze wist het niet. Ze twijfelde aan alles nu en het hielp niet dat het in Lisiduna, maar ook in Asschat en Snorrenhoef gonsde van de verhalen over haar gemaal en zijn vermeende liefjes. Ze rechtte haar rug. ‘Komaan’, mompelde ze, ‘zo’n geweldige echtgenote was je zelf ook niet en als je echt een goede moeder was geweest, had je wel eerder de benen genomen!’

In het hospitaal van Asschat vertelde de beroemde geneesheer hen dat het prinsesje leed aan een zeldzame ziekte. Ze kon er oud mee worden, stelde hij haar gerust, maar het zou niet gemakkelijk zijn. Het prinsesje hield zich kranig. ‘Zie je mam, ik kan er oud mee worden.’ Maar de koningin keek zorgelijk. Medicijnen waren duur, ze was arm en ze kreeg nog steeds geen cent van de koning. Ze besloot niet bij de pakken te gaan neerzitten, ze stroopte haar mouwen op en werkte extra uren en extra dagen, soms in de avonden, want van een kale koning kon je niet plukken en smeken bij de kerk en haar vazallen ging haar te ver, ze had tenslotte nog steeds haar Koninklijke trots.

En zo werkte de koningin zich halfdood om haar gezin groot te brengen. In haar eentje bekostigde ze schoolkosten, paardrijlessen, kleding en eten. Toen de twee oudste kinderen het nest verlieten, kocht ze huisraad voor ze, leerde ze hen budgetteren als een bedelaar en hielp ze hen de strenge winters en hete zomers door. De koning was ‘m gesmeerd, hij zwierf jarenlang rond door zijn vervallen koninkrijk, zonder vaste woon- en verblijfplaats, en liet een spoor van schulden achter. Voor het paleis stond de oude, rode koets, onder een laag stof, vervallen en vergeten. Heel af en toe liet de koning iets van zich horen, meestal via heraut of telegram, maar de koningin had geleerd dat hij in alle talen zweeg als ze hem om hulp of geld vroeg. Soms zocht hij contact met zijn dochters, maar zijn zoon bestond niet meer voor hem. Na enkele jaren huwde hij een nieuwe koningin. Zij bracht twee zonen mee uit een eerder huwelijk, en de koning besloot om samen met hun een nieuw koninkrijk te stichten, in een land ver voorbij de bewoonde wereld.

Nu de koning een nieuw koninkrijk had, voelde hij zich weer kranig en patent en stuurde hij elke maand wat goudstukken naar zijn voormalige koningin en moeder van zijn erfgenamen, maar nooit genoeg. Verder zweeg hij. Het verleden was dood. De koningin waagde zich niet aan een nieuwe koning, ze had haar lesje geleerd en er was niemand die haar nog mocht vertellen wat ze moest doen en hoe ze moest leven en met wie ze haar tijd doorbracht. Haar zoon trok zich terug in het bos, werd vogeltrainer en huwde een buitenlandse prinses. Haar oudste dochter had genoeg van al die kouwe kak, duwde de rijke koopman aan wie ze was uitgehuwelijkt in een ravijn en ging werken in het Snorrenhoefse Dolhuis. De beroemde dokter in Asschat stierf aan een beet van de Drentse Reuzenteek en het jongste prinsesje volgde hem op. Ze werd een gevierd arts in Lisiduna en verre omstreken. De koningin bleef zich halfdood werken tot haar hart het begaf en ze stierf aan uitputting.

De moraal van dit verhaal? Geen. De koningin kreeg niet wat ze verdiende, er ging geen raam open toen de deur sloot. Haar kinderen werden niet allemaal rijk, gezond en gelukkig. De hond stierf. De koning werd weer blij en tevreden en karma bestaat niet.

-einde-

Geen opmerkingen:

Een reactie posten